Onderhandelingen over het meerjarig financieel kader (MFK) van de EU

Geschiedenis

 

Het MFK geboren uit een crisis

Het idee om een meerjarig financieel kader op te stellen is geboren naar aanleiding van de EU‑begrotingscrisis van de late jaren zeventig en tachtig. In 1979, 1984, 1985 en 1987 konden de Raad en het Europees Parlement het niet op tijd eens worden over de EU-begroting van het volgende jaar. Als gevolg daarvan trad het omslachtige systeem van voorlopige twaalfden (provisional twelfths) in werking waardoor vertragingen ontstonden bij de uitvoering van programma's en de terugbetalingen aan de lidstaten.

 

Lagere ontvangsten, hogere uitgaven

Een van de oorzaken van de EU-begrotingscrisis was dat de ontvangsten daalden terwijl de uitgaven stegen. Wat de ontvangsten betreft, leidde met name de ontmanteling van de tarieven tot een vermindering van de eigen middelen. Anderzijds werd het landbouwmarktbeleid steeds duurder, werd nieuw beleid doorgevoerd (zoals het gemeenschappelijk visserijbeleid) en traden nieuwe landen toe tot de Gemeenschap (Griekenland in 1981, Spanje en Portugal in 1986).

 

Het succes van het MFK

Pogingen om de ontvangsten in overeenstemming te brengen met de uitgaven, hoofdzakelijk door te trachten bijkomende eigen middelen aan te trekken en de uitgaven te beperken, leverden onvoldoende op. Pas de vaststelling van het eerste meerjarige financiële kader (Pakket Delors-I van 1988 tot en met 1992) schiep de voorwaarden voor een vlotte en geslaagde begrotingsprocedure.

 

Twee nieuwe kenmerken

 Dit werd gerealiseerd door

  • het vaststellen van wettelijk bindende uitgavenplafonds en
  • het instellen van een nieuwe categorie van eigen middelen: de bijdrage van de lidstaten op basis van het bruto nationaal product (bnp), dat evenwicht bracht in de uitgavenbehoeften onder het plafond van de eigen middelen.
     

In 1988, het eerste jaar van het Delors I-MFK, werden voor het laatst voorlopige twaalfden toegepast. Sindsdien zijn nog drie meerjarige financiële kaders vastgesteld, elk voor een periode van zeven jaar.

 

Tijdschema

1 januari 1988

Het Pakket Delors-I was gericht op het tot stand brengen van de interne markt

1988

Europese Raad, Brussel, 11-13 februari 1988

 

31 december 1992

1 januari 1993

Het Pakket Delors-II, van 1993 tot en met 1999, was gericht op het sociale en cohesiebeleid en op de voorbereiding van de invoering van de euro.

1992
Europese Raad, Edinburgh, 12 december 1992

1 januari 2000

Het derde MFK, Agenda 2000, van 2000 tot en met 2006, moest de uitbreiding voorbereiden

1999
Europese Raad, Berlijn, 25 maart 1999

31 december 1999

31 december 2006

 

1 januari 2007

De financiële vooruitzichten 2007-2013 gaven prioriteit aan duurzame groei en concurrentievermogen

2005

Europese Raad, Brussel, 16 december 2005

 

31 december 2013

   

  

Eigen middelen: ontwikkeling in de tijd

De Europese Unie moet beschikken over financiële middelen, omdat zij geen tekort mag hebben. De soorten ontvangsten zijn in de loop der tijd aanzienlijk veranderd. In het begin, vanaf 1958 en verder, werd de Europese Economische Gemeenschap bijna uitsluitend gefinancierd uit de bijdragen van de lidstaten. In 1970 werden deze financiële bijdragen geleidelijk vervangen door eigen middelen, slechts bestaande uit douanerechten en suikerheffingen (de zogeheten traditionele eigen middelen). Vanaf 1975 kwamen daar eigen middelen uit de belasting op de toegevoegde waarde (btw) bij.

 

Toenemende druk

Dit systeem kwam in de jaren tachtig steeds meer onder druk. De eigen middelen krompen met name door het afbouwen van de tarieven, waardoor zij niet meer volstonden voor de stijgende uitgaven. In 1988, toen het eerste meerjarige financiële kader van kracht werd, werd daarom een nieuwe categorie van eigen middelen gecreëerd: de bijdrage van de lidstaten op basis van het bruto nationaal product (bnp), dat later werd vervangen door het bruto nationaal inkomen (bni). Deze nieuwe categorie moest de uitgavenbehoeften onder het plafond van de eigen middelen in evenwicht brengen.

 

Bijdragen en correcties

Momenteel zijn de nationale bijdragen op basis van het bni van de lidstaten goed voor ongeveer 75% van de EU-ontvangsten, terwijl de traditionele en de op de btw gebaseerde eigen middelen respectievelijk ongeveer 13 % en 11 % uitmaken. De resterende ongeveer 1 % komt uit andere ontvangsten, waaronder boetes voor ondernemingen die mededingingsregels schenden. In de loop der tijd zijn er meer en meer correcties in de eigenmiddelenbepalingen opgenomen om de begrotingsonevenwichtigheden van enkele lidstaten te compenseren.