Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

De ministers van de Raad Buitenlandse Zaken stellen de instrumenten vast die nodig zijn om het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) te voeren:

  • besluiten die bepalen hoe de Unie een specifiek vraagstuk aanpakt;
  • maatregelen die nodig zijn om uitvoering te geven aan het GBVB, met inbegrip van eventuele sancties.

 

De formele standpunten van de Raad worden na de zittingen gepubliceerd in communiqués die "conclusies" worden genoemd.

Het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper) en het Politiek en Veiligheids­comité (PVC) bereiden de werkzaamheden van de Raad als geheel voor. Het PVC houdt zich bezig met politieke en veiligheidsvraagstukken.

Tevens oefent het PVC, onder de verantwoordelijkheid van de Raad, het politieke toezicht op en de strategische leiding van crisisbeheersingsoperaties uit.

Daarnaast zijn er 38 werkgroepen (de zogenaamde voorbereidende instanties van de Raad), waarin deskundigen van de lidstaten zich buigen over vragen omtrent het GBVB en die vergaderen volgens de geografische en thematische aard van het onderwerp (bijvoorbeeld de Balkan, het Midden-Oosten, de mensenrechten en terrorisme).

Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de hoge vertegenwoordiger en de lidstaten, en uit nationale en EU-middelen gefinancierd.